‘Trip door machtige Death Valley (1)’

De volgende morgen gaan we vroeg op pad want we hebben aardig wat kilometers af te leggen. Een weg die ons vanuit de Sierra Nevada naar Death Valley, in het midden van de Mojave woestijn zal brengen. Omdat we niet weer dwars door Yosemite trekken, betekent dit een serieus stuk omrijden langs het zuiden. Het landschap langs de weg verandert zienderogen. De wijngaarden maken stilaan plaats voor enorme windmolenparken en “sunfarms’, vlakten met zonnepanelen zover het oog reikt. Het is duidelijk, het westen van de VS zet in op groene energie. Ze gebruiken de middelen die de natuur hen in overvloed biedt. Wind en zon. Dit is trouwens de rode draad die door heel onze reis loopt. Amerika, of toch althans dit deel, denkt heel milieubewust. Alles wat maar recycleerbaar is, wordt gerecycleerd.

Zelfs in de hotelkamers zijn er aparte vuilbakjes voor recyclage en voor restafval. De boetes voor “littering”, sluikstorten, zijn hoog en worden toegepast. 1000 $ voor wie een papiertje, flesje of sigaret uit de auto gooit, maar het werkt. We zien nergens afval langs de kant van de weg . Het is duidelijk dat wij hier nog veel van kunnen leren. Ik kijk ondertussen mijn ogen uit. Langs de ene kant van de weg de bergen van de Sierra Nevada, langs de andere kant het dorre woestijnlandschap van de Mojave Desert. Rotsen, stenen en lage struiken die ondanks de droogte en de verschroeiende hitte stand houden. We beginnen er een idee van te krijgen hoe het leven steeds een weg vindt, zelfs in de meest barre omstandigheden. Vooruitziend als we zijn, voorzagen we zelf de nodige liters water en tankten we onze auto nog vol.

Nochtans vinden we in Panamint Springs wel een benzinestation. Twee witte pompen met de vermelding “no brand”, geen merk. Duidelijk brandstof van de witte producten en dat riskeren we niet. Een panne midden in de woestijn kunnen we best vermijden. Het sanitair in de shop, waar we nog wat frisdrank en een tussendoortje kopen, is wel verbazend proper én er is een mogelijkheid de ramen van de wagen schoon te maken met water en een trekker met spons. Het resultaat kon beter maar de sporen van de vele insecten die een gewelddadige dood stierven tegen onze voorruit worden toch min of meer uitgewist. Bij Stove Pipe Wells rijden we Death Valley binnen. Dit stadje is een voorschoot groot en gebouwd in typische Western stijl. Ook hier is er een General Store, een Saloon en een motel. Je kan er dus voorraad inslaan, iets drinken en slapen. Kortom, alles wat een reiziger nodig heeft. Wij houden het bij enkele foto’s vooraleer we doorrijden naar onze slaapplaats, the Ranch at Death Valley in Furnace Creek.

Alle plaatsnamen hier verwijzen naar hetzelfde, de brandende hitte en de extreme droogte van dit deel van de wereld waar temperaturen van 50°C en meer en een vochtigheidsgraad van minder dan 5 % meer regel dan uitzondering zijn. Onderweg passeren we de zandvlakte van Mesquite Sand Dunes. Absoluut het halthouden waard. Bij het uitstappen waarschuwt een groot stopbord ons in verschillende talen voor extreem hittegevaar. Honden, roken, drones en kamperen zijn verboden. Er wordt aangeraden om na 10 u ’s morgens het zand niet te betreden. Maar net als alle andere toeristen, lappen we dit aan onze laars en lopen toch verder. De hitte is verschroeiend. Voor het eerst in mijn leven krijg ik een idee wat het moet betekenen om te verdwalen in de woestijn en de schrik slaat me om het hart. Er is geen water, geen schaduw, geen schuilplaats alleen maar een verzengende zon, een droogte die het vocht uit je keel en ogen zuigt en zand. Hallucinant. We lopen met een grote bocht rond de enkele lage struiken die er tegen alle verwachtingen in toch groeien want in het beetje schaduw dat ze bieden, houden zich ratelslangen schuil. Een confrontatie die we niet echt willen aangaan.

De zoon mag dan wel beweren dat hij graag eens het geluid van een ratel zou horen, ik pas er toch maar voor. Wanneer we uiteindelijk aan ons hotel aankomen, valt onze mond open van verbazing. Het contrast kan niet groter zijn. Een oase van groen midden in de woestenij. We rijden de grote ingangspoort door, twee stenen muren verbonden met een houten naamplaat zoals het een echte ranch betaamt. Plots bevinden we ons midden tussen de palmbomen, groene gazons, fonteinen en zelfs een zwembad. Het wordt nog maar eens duidelijk hoe noodzakelijk water is voor alles wat groeit en bloeit op onze planeet en hoe het overal het verschil maakt. De professioneel vriendelijke receptionist wijst ons de weg naar onze kamer. Deze is gelegen in één van de vele bijgebouwen, op het gelijkvloers én met terras voorzien van twee schommelstoelen. Wie mij een beetje kent, weet dat ik zo mijn oude dag wil doorbrengen. Gezeten in een schommelstoel op een veranda ergens in de VS met de spreekwoordelijke gallon (mag uiteraard ook wat minder) moonshine of beter nog Jack Daniels naast me. Een stukje van de droom komt hier weer uit. We zetten onze koffers af en maken nog snel een reservatie voor het avondeten in het Last King Words Saloon, het restaurant van het hotel. Omdat we nog tijd over hebben, besluiten we nog een deel van het omringende National Park te verkennen en naar Badwater Basin te rijden. Een bekken bekleed met een dikke korst zout, een zoutvlakte die zich 282 voet of 85,5 meter onder de zeespiegel bevindt. Hoog boven onze hoofden duidt een plakkaat op de berg aan waar dit zeeniveau dan wel is. Hier en daar borrelen minuscule bronnetjes water op, maar zoals de naam al doet vermoeden, is het water zout en brak, ondrinkbaar.

Nog maar eens een wrede speling van de natuur voor wie hier in vervlogen tijden zijn dorst wou lessen. Zelfs de paarden weigerden te drinken en vele goudzoekers stierven een gruwelijke dood. Ondertussen begin ik flink zenuwachtig te worden want ik wil op tijd terug zijn voor het avondeten en wil me ook nog wat opfrissen. Ik merk aan de zoon dat hij licht geërgerd raakt door mijn herhaaldelijk aandringen om door te gaan maar hij zegt niets. Hij kent mij en weet dat er op zo’n momenten met mij niets aan te vangen valt. Eens ik gewassen en omgekleed klaar sta voor het diner, wordt de oorzaak van zijn irritatie duidelijk. Ik ben er weer maar eens in geslaagd om mij te vergissen in het tijdstip wat betekent dat we meer dan een uur te vroeg klaar zijn. Weer maar eens haast en spoed voor niets. Hij is hier duidelijk zijn hemel aan het verdienen met mij als moeder. Het restaurant is helemaal in cowboy stijl opgetrokken, met zelfs de nodige Wanted-posters aan de muren.

We trakteren ons op een flink aperitief om het misverstand door te spoelen. Ik ben in de wolken wanneer ik op de kaart lees dat ze zelfs een Tomahawk serveren, een niet te versmaden Ribeye steak. Tot de zoon mijn enthousiasme tempert met de woorden: “Heb jij die prijzen hier al eens bekeken?” Nee natuurlijk had ik daar naast gezien. Maar 105 $ voor een biefstuk lijkt zelfs mij van de pot gerukt. Zeker wanneer je bedenkt dat hier geen taks en service bij inbegrepen zijn, dus reken er nog maar een flinke 20 tot 25 % bij. Het is duidelijk, men weet hier dat er nergens anders in de wijde omtrek eten te krijgen is en profiteert hier volop van. Ik opteer dan maar voor de iets kleinere New York strip die ook nog genoeg kost en de zoon doet zich te goed aan ribbetjes. We laten het niet aan ons hart komen. Het eten is lekker, de porties ruim en we maken zelfs nog een plaatsje voor een dessert. Het leven mag af en toe gevierd worden vinden we. Want wees eerlijk, we hebben tenslotte toch wel een heel klein beetje de dood in de ogen gekeken tijdens deze avontuurlijke dag. En morgen wacht ons nog meer van hetzelfde.

verslag: Tris, foto’s: aboutacertainsam